Heerlijkheid

Een heerlijkheid is een bezitting, een eigendom, die voor de bezitter of de landsheer ervan bepaalde rechten, heerlijke rechten (voorrechten) meebrengen.

De gemeente was voor een deel van de oppervlakte een vrij eigen goed dat toebehoorde aan de kerk van Kamerijk, de rest hoorde toe aan een ‘leen’. Aanvankelijk behoorde het vrij gedeelte aan de heren van Dendermonde. Het werd door één van hen geschonken aan de bisschoppen van Kamerijk. Geeraard II, de 23ste bisschop van Kamerijk, stond het in 1089 af aan de kanunniken, die er sinds dan het heerlijk recht uitoefenden.

Het leen van Oudegem kwam na verloop van tijd ook in de handen terecht van de kanunniken, door de aankoop van Elizabeth, echtgenote van Reginald Boccaert. Dit gedeelte was ook een heerlijkheid, met een 30-tal achterlenen en 34 manschappen, die niet in een vierschaar terecht stonden, maar verspreid waren in andere rechtsgebieden in het land van Aalst, zoals die van Mespelare, Nieuwkerke en Denderleeuw.

Een vierschaar was een rechtbank, zo genoemd omdat de rechters zaten op vier banken die rond een open ruimte waren opgesteld.

De kanunniken hadden een gevolmachtigde, die te Oudegem de zaken van het kapittel deed, de tienden ontving, de rechten bij leenverhef en grondverkopen inde, de landen verpachtte en het magistraat vernieuwde.



Het kapittel is de vergadering van afgevaardigden van tot één orde behorende kloosters. Tienden zijn belastingen onder de vorm van één tiende van de oogst, het bezit aan vee, het enkelvoud is hier ‘de’ of ‘het tiend’.



Er waren dus 2 rechtsgebieden in één dorp. Dat dergelijke toestand tot conflicten zou leiden was te verwachten. In het midden van de dertiende eeuw werd dit vereffend nadat het recht van de heren van Dendermonde en deze van het kapittel werden vastgesteld door een overeenkomst,

gesloten in het jaar 1245 en in 1392 door Philip De Stoute, graaf van Vlaanderen.Te Oudegem waren er nog een aantal kleinere heerlijkheden, waaronder die van Eegene, dat toebehoorde aan de abdij van Affligem, met vierschaar, meier (een rechterlijk ambtenaar) en 7 schepenen, en de heerlijkheid van Sint-Baafs.



Oudegem en de geschiedenis van Vlaanderen

Oudegem komt in de staatkundige geschiedenis van Vlaanderen maar zelden voor.

In de 16-de eeuw werd de kerk geplunderd, de pastoor verjaagd en de pastorij vernield. In 1608 bouwde men een nieuwe pastorij voor de pastoor.

In 1667 kwamen Franse benden, na het beleg van Dendermonde, een aantal huizen en de oliemolens in brand steken.

Of men in Oudegem, tijdens de opstand der Belgen tegen Jozef II, een patriotisch korps oprichtte is niet bekend. Maar de vaderlandse inschrijving ten voordele van de weerstand bracht in 1790 niet minder dan 400 gulden op. Deze som werd aangewend om een kanon aan te kopen waarop volgend opschrift werd aangebracht: “Deze gejond door de vrije Heerlijkheid van Oudeghem”.

In de gevel van het gemeentehuis prijkt boven de hoofdingang een afbeelding van de Onze-Lieve-Vrouw ter Nood. Een gedenksteen vermeldt volgende namen: JH. B. Van Mossevelde, burgemeester, ridder van Leopoldsorde, F.B. Dubois, L. Cool, schepenen. A. Dubois, secretaris, Ed. Bouwens, Architecte, Den 5 mei 1870.

Dit leidt ons naar een overzicht van de bestuurlijke oversten van de gemeente.

Veel van de familienamen komen nog steeds voor bij de actuele namen van de inwoners